De volgende
tekst namen we over uit het Vijfjarenplan 1975 - 1979Regionale en
landelijke samenwerking
In 1972 is de gemeenschappelijke
regeling "Centrum voor Automatisering Zuidwest Nederland" tot stand gekomen. Zij
omvat het gebied van de provincie Zeeland en het zuidelíjk gedeelte van de provincie
Zuid-Holland (het gebied van het Openbaar Lichaam Rijnmond en het gebied ten zuiden
daarvan en van de rivier de Lek). Aan het begin van de planperiode hebben 38 van de 112
gemeenten (waaronder alle grote) met 75% van het totaal aantal inwoners zich aangesloten.
Voorts traden toe als buitengewoon lid van de gemeenschappelijke regeling:de gemeente
Delft en het Openbaar Lichaam Rijnmond. De taak van het Centrum voor Automatisering omvat
o.a. de voorlichting en de opleidíng op automatiseringsgebied en de
begeleiding en de ínvoering van het gebruik van informatiesystemen. Het Gemeentelijk
Rekencentrum van Rotterdam fungeert als uitvoerend rekencentrum en verleent alle overige
diensten waar het bestuur of de afzonderlijke gemeenten opdracht toe geven. In verband
daarmede kan het apparaat van de gemeenschappelijke regeling zelf beperkt blijven. De
formatie aan het begin van de planperiode bedraagt twee man. De bijdrage van de
deelnemende gemeenten bedraagt 29 cent per inwoner voor het jaar 1975.
Voor invoering en produktie komen in
de eerste plaats de gereedgekomen fasen van de landelijke systemen in aanmerking.
Daarnaast wordt vooruitlopend op het gereedkomen van verdere landelijke systemen zoveel
mogelijk gebruik gemaakt van plaatselijke rotterdamse systemen (bijvoorbeeld ten behoeve
van sociale uitkeringen) of van elders beschikbare voorlopige systemen (bijvoorbeeld ten
behoeve van financiële administraties en salarissen).
In de eerste vijfjarenplannen was
het nog niet mogelijk de regionale
ontwikkelingen kwantitatief te ramen. Hoewel er konkrete vooruitgang is geboekt in
vergelijking met het vorige vijfjarenplan is dat ook voor dit vijfjarenplan nog moeilijk
omdat nog weinig gemeenten voor zichzelf een automatiseringsplan voor de komende jaren
hebben opgesteld. In de planningen en de ramingen van dit vijfjarenplan zijn opgenomen de
invoering van bepaalde fasen van het Bevolkingssysteem, het Aktiviteitensysteem en het
Vastgoedsysteem. In een aantal gemeenten is de toepassing van enkele deelsystemen voorzien
op het gebied van het Betalings- en Incassosystem, het Personeelssysteem en het
Bestuurssysteem.
De vraag is uiteraard welke invloed
de regionale ontwikkeling heeft op de geplande middelen. Er is aangenomen dat de regionale
ontwikkeling weinig invloed heeft op de Ontwerpafdeling (twee of drie medewerkers gespreid
over alle projektgroepen). Er zal wel enige invloed zijn op de Produktieafdeling zowel op
de personeelsomvang als op de computercapaciteit. Deze invloed zal in de eerste jaren naar
verwachting niet groter zijn dan ongeveer 10% in het begin tot bíjvoorbeeld 25% aan het
einde van de planperiode. Dit betekent in feite slechts verschuiving in de tijdstippen
waarop de geleidelijke uitbreiding van de personeelsomvang en de computerínstallatie
plaatsvindt. In de begroting van de gemeenschappelijke regeling zijn voor 1975 bepaalde
bedragen uigetrokken voor de invoering van het Landelijk Aktiviteiténsysteem, de
begeleiding van het gebruik van kantoorcomputers en diverse andere opdrachten. Enige
toename van dit soort opdrachten mag in de komende jaren worden verwacht.
In het volgende vijfjarenplan zal
het wellicht mogelijk zijn de invloed van de regio in de geraamde produktieomvang voor elk
systeem afzonderlijk tot uitdrukking te brengen.
Er wordt naar gestreefd
vertegenwoordigers van de regiogemeenten zo vroeg mogelijk te betrekken bij het werk van
de stuurgroepen. Dit is per 1 januari 1975 het geval met de stuurgroepen van de
objektsystemen. Daarnaast ontstaan zogenaamde "gebruikersgroepen" waarin
regelmatig overleg wordt gepleegd over uitgevoerde en uit te voeren werkzaamheden voor
opdrachtgevende gemeenten.
In 1974 waren alle regionale
samenwerkingsverbanden in het gehele land geformaliseerd en acht van de tien regionale
centra operationeel . Dit is voor het Bestuur van de Stichting tot Ontwikkeling van de
Automatisering bij de Gemeenten aanleiding geweest om zich te beraden op de toekomstige
juridisch-bestuurlíjke struktuur van het landelijke samenwerkingsverband.
Een daartoe ingestelde kommissie
heeft geadviseerd de stichtingsvorm om te zetten in een overkoepelende gemeenschappelijke
regeling die de gemeente Amsterdam aangaat met de regionale gemeenschappelijke regelingen.
Na intensief overleg met de regionale besturen is het definitieve ontwerp eind 1974 aan de
regionale samenwerkingsverbanden ter goedkeuring aangeboden. Naar verwachting; zal in 1975
de nieuwe bestuursvorm haar beslag krijgen.
Dit zal tot gevolg hebben dat
duidelijke richtlijnen kunnen worden gegeven met betrekking tot de maatregelen die nodig
zijn om de samenwerking in de regionale samenwerkingsverbanden te effektueren. Zoals reeds
in par. 2 (niet opgenomen) vermeld zal dan tevens worden voorzien in een
definitieve regeling van de ontwikkelingskosten van landelijke systemen zodat deze niet
meer, ook niet in eerste instantie, ten laste komen van de ontwikkelde regio's, maar via
verrekening bij de SOAG door de geb ruikers worden gedragen.
Door de bereikte overeenstemming
over de standaardisatie van apparatuur en de daarbij behorende standaardisatie op het
gebied van algemene programmatuur (bijvoorbeeld Data Base Management Systems) zal het
mogelijk zijn de samenwerking in de tweede helft van de zeventiger jaren te laten
uitgroeien tot een kwalitatief hoogstaande en doelmatig georganiseerde
informatievoorziening voor de gemeenten, die tevens dienst kan doen als onderbouw van de
informatievoorziening van de "hogere" overheidsorganen.
Een belangrijk probleem
blijft dat in de afzonderlijke regionale centra moeilijk voldoende personeel en
financiële middelen vrij te maken zijn om met kracht landelijk toepasbare systemen te
ontwikkelen. De ervaringen hiermede zijn buiten de grootste gemeenten tot nu toe niet erg
bemoedigend, hoewel het Ministerie van Binnenlandse Zaken thans opnieuw subsidie voor de
ontwikkeling van landelijke systemen heeft toegekend en binnen de SOAG getracht wordt de
ontwikkeling van de landelijke systemen niet alleen bestuurlijk en financieel maar ook
technisch en organisatorisch met meer kracht ter hand te nemen dan tot nu toe het geval is
geweest.
Het in het vorige víjfjarenplan
gesignaleerde probleem van de kordinatie van de automatisering van de
informatievoorziening , bij de gehele nederlandse overheid is in zoverre dichter bij een
oplossing gekomen dat zoals in par. 2 (niet opgenomen) vermeld de Raad voor de
Rijksdienst heeft besloten een bestuurlijk koordinatieorgaan op te richten waarin rijk,
provincies en gemeenten zijn vertegenwoordigd.
Alleen door konkrete en vooral open
samenwerking zal het mogelijk, zijn ín de komende jaren de informatíevoorziening in
Nederland op zodanige wijze te organiseren dat zij een daadwerkelijke bijdrage levert aan
de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de afzonderlijke bestuurslagen.
Het nieuwe orgaan (Bestuurlijke Overlegkommissíe
voor de Overheidsautomatisering - BOCO) is begin 1975 voor het eerst bijeengekomen. De
noodzaak van koordinatie is thans op bijna alle gebieden van de geautomatiseerde openbare
informatievoorziening aanwezig. Het is de bedoeling te beginnen met de instelling van
enkele overleggroepen op die gebieden die de hoogste urgentíe hebben zoals
bevolkingsinformatie, onderwijsinformatie, kadastrale ínformatie (grond en gebouwen),
informatie over topografie en leidingen en informatie over sociale, ekonomische en
kulturele aktiviteiten. Tegelijkertijd zal een begin worden gemaakt met de uitwerking van
een automatiseringsplan voor de gehele overheid. Daarbinnen zal het Basisplan voor de
gemeentelijke automatisering in een groter geheel worden geplaatst.
Het overkoepelende plan kan
tegelijkertijd een uitgangspunt zijn voor de informatieverzameling en -verstrekking op een
groot aantal deelgebieden, ook bij de hogere overheid.
|
|
|