voor het Gemeentelijk Rekencentrum zocht. Ik wist werkelijk niet wat ik me daarbij
moest voorstellen, maar het salaris - hoewel klein afgedrukt - was wel erg aantrekkelijk.
Bijna 1200 gulden! Wat zou ik dan allemaal niet kunnen doen! Natuurlijk geschreven en
kennis gemaakt met de heer drs. B.K. Brussaard, hoofd van het Gemeentelijk Rekencentrum.
Die heeft toen geprobeerd mij uit te leggen wat een computer was en hoe zo'n ding in de
gemeente zou kunnen worden gebruikt. Het kwam er eigenlijk op neer dat alles in één
groot geïntegreerd systeem zou worden opgenomen, dat zou bestaan uit deelsystemen: drie
middelensystemen en drie objectsystemen. Centraliseren was natuurlijk veel voordeliger dan
de diverse bedrijven hun eigen systemen laten maken en dan ook nog ieder op een eigen
computer. Hij had het allemaal netjes op een groot schoolbord uitgetekend. De
organisatievorm van de gemeente verschilde eigenlijk niet zoveel van die van de Shell:
beide hadden volgens hem een zandloperstructuur. Raadsleden waren te vergelijken met
aandeelhouders en ambtenaren met gewone werknemers. (Gewoon waren ambtenaren toen beslist
nog niet!)
Waarschijnlijk heb ik genoeg begrip en enthousiasme getoond, want op 19 september 1966
deed ik
mijn intrede in het GRC aan de Wijnhaven 23. Mej. J.C.Th. de Waard stelde mij voor aan de
reeds aanwezige medewerkers en wees mij een bureau. Vandaar uit had ik het zicht op de
heren H. de Reus, C. Jacoby,
Johannes en
Mast. (Van de laatste twee kan ik mij met geen mogelijkheid meer de voorletters
herinneren.) In de aangrenzende kamer - de afdeling Machinale Uitvoering - liet E.J.
Janssen met ik geloof C. Versluys en A. Bossche de hele dag machines ronken en brommen die
voor mij totaal nieuw waren. Dat waren o.a. de IBM 421 of 1401 (2x), enkele
ponskaartlezers en een sorter. Helemaal achteraan was de ponskamer waar vier ponstypistes
achter evenzoveel ponsmachines werkten. Ik had al gauw een diskussie met Brussaard over de
naam van mijn afdeling. Om taalkundige redenen vond ik dat het Invoer-en-Uitvoerverzorging
moest zijn, terwijl hij meende dat het In- en Uitvoer-verzorging was. Ja maar, zei ik, wat
is dan "inverzorging" ?
In het begin leek het allemaal nogal rustig. Ik volgde veel cursussen en ging naar de
door het GRC bediende instellingen, waar ik werd voorgesteld door De Reus. Ik herinner mij
het Vrij Entrepôt, de Bibliotheek, de Drukkerij, het Slachthuis, het Marktwezen. De enige
onrust kwam van de Secretarie waarvandaan soms lastige brieven kwamen: van Financiën en
van APZ. Ik heb altijd de indruk gehad dat die twee het GRC liever kwijt dan rijk waren,
tenzij dat ze er de baas van zouden kunnen worden.
De intrede van de Ontwerpafdeling was een gebeurtenis apart. Zij waren duidelijk de
glamourboys en dat wilden ze weten ook. De eerste groep bestond uit tien tot twaalf mensen
en popelden om aan het werk te gaan na afloop van de cursus elders in het land. Ze hadden
er blijkbaar hun hersens moeten trainen met diverse denkspelletjes, die ze nu bij mij en
de anderen uit wilden proberen. Ik herinner mij J. Snijders, P.Pottjegort, M. Worms, H.
Dullaert, mej. H. van de Heuvel, C. Karel, J.J. Hoeneveld, R.M.H. Janssen, mej. J.
Stekelenburg, mej. R. (?) Schram. (Mannen werden bij hun achternaam genoemd en voor
vrouwen liet men de achternaam voorafgaan door [me]juffrouw.
Vrouwen kwamen overigens soms toch voor
aanspreking met de voornaam in aanmerking, vooral als ze een wat minder gewaardeerd beroep
hadden.) Ook was er een W.B.F. Goudriaan, maar die was op een ander tijdstip dan de rest
in dienst getreden, evenals de nóg later gekomen Bas Nijssen. Ik zat op een middag
tijdens de lunch toen ergens een draagbare radio muziek liet horen. Aha, zei Goudriaan,
dat is wel mooi. We horen dat en dat vioolconcert, met dat en dat orkest gespeeld door
Arthur Grumiaux. Hij deed het voorkomen of hij al die bijzonderheden uit het geluid
herkende, maar achteraf denk ik dat hij het des morgens in de krant of de radiogids had
gelezen. Veel ontwerpers hadden zulke opvallende eigenaardigheden, die mensen van andere
afdelingen niet zo duidelijk hadden, althans beter verborgen hielden. (Lees de
reactie van Wim Goudriaan hier).
Ook bij Invoer- en Uitvoerverzorging hadden de mensen eigenaardige trekjes, maar die
waren niet individueel maar gezamelijk. Iemand begon bijvoorbeeld op zijn bureau te
trommelen en de rest deed meteen mee. Of er werd wat geroepen en er kwam geheid steeds
hetzelfde antwoord.