(Ton vertelt verder)Van
sommige personen herinner ik mij om voor mij onnaspeurlijke redenen bepaalde uitspraken,
hoewel niet echt letterlijk. Hier komen er enkele.
Carel Kouwenhoven, te pas en te onpas toen hij er net was en allerlei klusjes moest
doen:
Okidoki!
Johannes, als hij een rubberen telvinger tevoorschijn haalde voor het hanteren van
stapels formulieren:
Aha, mijn partieel condoom
Manfred Worms, met de vuist op tafel en een gezwollen rode nek toen iemand aanpassingen
voor BADRUK voorstelde:
Er wordt hier niks veranderd!
Peter Roos, bij een demonstratie van een draagbare PC van het merk Osborne (zeg maar
sjouwbare; het ding had verder een schermpje van omstreeks A6-formaat):
Dag meneer Wang!
Een raadslid, tijdens de behandeling van het plan het GRC te verhuizen van Wijnhaven
naar gebouw Katshoek aan de Heer Bokelweg:
Nou ja, van mij mag meneer Brussaard wel naar het Catshuis...(gejoel in de raadszaal)
Brussaard, schriftelijk in een reaktie op een voorstel het GRC tot tak van dienst te
"verheffen":
Dat zou bij mij op onoverkomenlijke bezwaren stuiten
Peter Roos, als hij iemand even wilde spreken:
Dag neefje, ik heb je even nodig
Ger Gerrits van den Ende:
Mijn auto kost mij zoveel dat ik geen geld meer heb voor een fiets
Gerard Buskop, na lang nadenken:
Jouw uitbakje is eigenlijk mijn inbakje
Joop de Bruijn, als onze namen weer eens verwisseld waren:
We lijken toch helemaal niet op elkaar!
Tot nu toe heb ik het gehad over persoonlijke ervaringen die ik mij herinner, maar die
anderen zouden kunnen bevestigen of corrigeren. Wat nu komt zullen jullie gewoon van mij
moeten aannemen. Zoals ieder mens droom ook ik veel. Ook van het GRC, omdat ik daarmee nu
eenmaal veel te maken heb gehad. Als ik van het GRC droom dan bevind ik mij in een gebouw
dat nog het meest aan de Walenburgerweg doet denken.
Maar ik ben er dan echt de weg kwijt. Het
vreemdste is echter dat ik van de mensen die ik dan tegenkom er steeds minder ken. Steeds
meer vreemde gezichten zie ik en bij de mij nog wel bekende gezichten kan ik steeds minder
namen plaatsen. Maar dan droom ik toch eigenlijk de werkelijkheid! Als ik nú het gebouw
aan de Walenburgerweg zou binnenstappen, dan zal daar de laatste dertien jaar wel zoveel
veranderd zijn dat ik weinig herkenbaars tegen zou komen. En hoeveel mensen zijn sedert
1985 - ondanks de tijdelijke malaise - wel niet in dienst getreden; mensen die ik
waarschijnlijk niet ken. Anderzijds zijn veel mensen die ik nog heb meegemaakt vertrokken
of zelfs - helaas - overleden. En van degenen die er nog steeds zijn zal ik niet iedereen
meer met naam en toenaam kunnen begroeten.
Groeten aan iedereen die dit leest en tot ziens op de Reunie!
Ton F. van den Bergh,
januari 2001