EPILOOG en VERANTWOORDING Als
met een harde klap de archiefdeur in zijn automatische vergrendeling valt zit het er voor
mij op. De zurige en schimmelige geur van oud papier zal me niet langer omringen en het
stof was ik voor de laatste maal van mijn handen af.
Misschien blijkt het achteraf ook ijdele hoop te zijn geweest te verwachten dat op ons
heugelijk samenzijn op 20 april aanstaande in een eruptie van herinneringen en nostalgie
er één moment zal zijn om objectief terug te kijken op ons gemeenschappelijk
arbeidsverleden.
Al met al intrigeerde het mij in sterke mate om binnen het bestaan van het GRC je eigen
bijdrage en plaats te ontdekken en daarvan sporen terug te vinden.
Het gaf me een rijk gevoel
om, bijna ongegeneerd, alles in te kijken waarover eertijds achter gesloten deuren hevig
werd gediscussieerd.
Met een bezwaard gemoed
moest ik vele zaken helaas onbesproken laten.
|
Misschien moet ik ook deze hoogmoedige pogingen maar staken en zou het
voor mij gepaster zou zijn me maar te vergelijken met iemand uit het leger naamlozen die
eeuwen geleden de dijken opwierpen en kanalen groeven om het overvloedige water te keren
of heen te voeren waar het beter te beheren viel. Alleen zou je voor het woord
"water" nu "informatie" moeten lezen waarmee een reeks toepasselijke
vergelijkingen te maken zou zijn met watermolens als computers en een bestuurlijk
landschap dat ruim 35 jaar geleden dorstte naar geordende, snelle informatie en niet over
de vele kleine akkers zou uitstromen. Grootse en kleine plannen waren hiervoor nodig en op
het juiste moment stond er een gilde van stedelijke rekenmeesters en overig loopvolk klaar
om een leidingennet aan te leggen voor het voeren van deze informatie in de gewenste
dosering en vorm naar de daarvoor bestemde plaats. Zo simpel zou het verhaal van het GRC
ook kunnen luiden maar dat was het natuurlijk niet. Daarvan getuigen de gevulde
archiefstellingen, moesten er veel nieuwe gebieden ontgonnen worden en is de rol van de
informatica en informatisering nadien te ingrijpend geweest op de maatschappij, op
Rotterdam en op jezelf.
Als ik dan ook omkijk en een lukrake greep doe uit de vele onderwerpen die een plaats
verdienden dacht ik bijvoorbeeld aan de start van de medezeggenschap in de automatisering
nadat het GRC een tak van dienst was geworden. Toch een niet te verwaarlozen onderwerp
tegen de achtergrond van de zeventiger jaren met zijn binnendringende zeggenschap en
openheid in alle geledingen. Waarover praatten zij toen en was er invloed op ons vak?.
Over praten gesproken, de vele honderden verslagen van de OA Staf, directie,
afdelingsverslagen en werkgroepen (met zeer grote dank aan de schrijfkamer overigens) zijn
zeker, weliswaar met een speciaal oog, geenszins slaapverwekkend. Ze zouden bij wijze van
spreken integraal kunnen worden geopenbaard en menig gezichtspunt toen zou nu nog
aanleiding kunnen zijn ons handelen te toetsen, zo herkenbaar en helder is de vastlegging
nog. Sommige lezen nog bij wijze van spreken als een toneelscript en men wordt zich
pijnlijk bewust hoe de taalverwording naar het heden toe heeft doorgezet waarin
onvoldragen turbotaal van heden volslagen ten onrechte pretendeert veel te zeggen.
Of had ik toch maar die doos met de woorden " GEHEIME STUKKEN " open moeten
maken en een onthulling de wereld in moeten slingeren. Ik weet wat er nu in staat maar ik
zeg het lekker niet.
En wat kwam wethouder Riezenkamp op die mooie voorjaarsmorgen in 1970 bij het GRC doen
in een speciale stafvergadering? Zeker niet om een kopje thee te drinken uit de DWL
kantine. Wellicht was dat een mooie aanleiding om wat meer licht te werpen op de
spanningen tussen het bestuur en dat eigenzinnige centrum vol eigenwijze wijsneuzen die
zich maar moeilijk als "echte" ambtenaren konden en wilden gedragen.
Zo kwamen ook zeer lezenswaardige stukken onder mijn ogen als de verslagen over de
eerste visites in 66 en 67 van de heer Brussaard bij de diverse takken van
dienst waar hij met nimmer aflatende overtuigingskracht de automatisering moest
"verkopen ". Bij een van deze rondgangen binnen de gemeente sprak een
topambtenaar historische woorden: "U denk toch zeker niet dat ik als representant van
de oudere ambtenaren in de gemeente me nog ga verdiepen in het gebruik van computers
!". Het antwoord van de heer Brusssaard was natuurlijk zeer tactisch en luidde dat
hij daar specialisten voor had, al moesten die dan nog wel naar de opleiding toe.
Ook dit geheel zou een smakelijk hoofdstuk zijn geworden over de eerste vormen van
acquisitie in de automatisering en zeker zeer onderhoudend.
In het archief stond ik eveneens voor de, nu verjaarde, personeelsdossiers uit 1975 en
speelde nog even met de gedachte een statistische doorsnede te maken met ruim 180
medewerkers om een beeld te schetsen van een volledig opererend rekencentrum, nu een kwart
eeuw geleden. Waar woonden ze, hoe was de leeftijd opbouw, welke opleidingen hadden ze
genoten etc. Boeiende gezichtspunten zouden ook terug te vinden zijn geweest in de
bewaarde sollicitatiebrieven met name dan om de vraag, waarom ze juist toen in een
rekencentrum wilde werken.
Deze veelheid van onderwerpen waarvan vele onvermeld, zouden nog scherper het beeld
hebben geschetst van ons stedelijk rekencentrum in de eerste tien jaar van haar bestaan en
wellicht nog wat dichter bij de ongrijpbare ziel van het GRC hebben gebracht waarvan het
archief, weliswaar een wat kwijnend doch onverbrekelijk deel van uit maakt.
Het archief
overigens zal op korte termijn worden overgedragen aan de nieuw behuisde Archiefdienst en
wel geheel toevallig op steenworp afstand van de Heer Bokelweg waar de ontkiemende jaren
van het centrum begonnen.
Hiermede is de cirkel bijna rond. Met het vertrek, volgend jaar, van wat rest van het
Gemeentelijk Rekencentrum aan de Walenburgerweg, is wellicht het allerlaatste hoofdstuk
geschreven en zijn de sporen vrijwel uitgewist.
De karavaan zal verder trekken met achterlating van een bewogen, nu gestold en rustend
verleden.
Op 20 april kruisen onze wegen nog eenmaal




Danielis scripsit AnnoDomini MMI