Home
De pioniersjaren voorbij (1968-1969) - I

 

Vrijwel passend binnen het tijdschema waarop het Siemens-systeem in het vroege voorjaar van 1969 zou arriveren, kwam in januari 1968 het besluit voor een nieuwe locatie van het Rekencentrum. De Drinkwaterleiding, gehuisvest in het gebouw de Katshoek, aan de Heer Bokelweg 25, had nog ruimte over en in samenwerking met deze dienst zouden de verbouwingsactiviteiten gestart kunnen worden. De planning was om einde 1968 (wat ook gerealiseerd werd) te kunnen overgaan en de ruimte voor de komst van de Siemens 4004/45 gereed te maken.
Als voorbereiding hierop werd, naast de werkzaamheden op de conventionele ponskaartenmachines, reeds in Den Haag op een 4004/45 gedraaid en bedieningsopleidingen georganiseerd om een zo geruisloze overgang mogelijk te maken. Nu stonden de jaren 1968 en 1969 toch heel duidelijk in het teken van verhoogde opleidingsactiviteiten in allerlei disciplines. Behalve operatorsopleidingen betrof het ook de eerste toegepaste opleiding voor systeembeheer, toen nog uitvoerverzorging geheten, en wel voor het personeelssysteem.

  opleidingsactiviteiten

 

 

 

Maar het zwaartepunt lag vooral op ontwerpers en programmeurs, temeer daar dit tekort weer een direct negatief effect had op de omzet van projecten. Het was frustrerend, ook op bestuurlijk niveau had dit grote aandacht, dat goed opgeleide medewerkers uit 1966 en 1967 werden weggelokt door vooral kleinere automatiseringsbureaus. Van de 19 opgeleide mensen waren dat er reeds 9.
Werd al samen met Amsterdam intensief opleidingen gepland, in 1969 werd ook de gemeente Den Haag hierbij betrokken om aan de zeer grote vraag te voldoen.
De moeizame personele invulling had een grote invloed op de voortgang van geïntegreerde systemen. Met name het Betalings- en Incassosysteem was hiervan het voornaamste slachtoffer. De voortgang bleef voornamelijk steken in schetsontwerpen voor het incasso gedeelte waar de eerste klanten, DWL, GWR en de Keuringsdienst van Waren, op wachtten. Daarnaast was ook geen serieuze voortgang te melden voor het Materiaal- en Bestuurssysteem.

De zeer smalle personele situatie speelde, weliswaar niet direct zichtbaar, een naderhand essentiële rol bij een specifieke ontwikkeling binnen de Rotterdamse automatisering.

Toen in mei 1968 het Gemeentelijk Energie Bedrijf krediet aanvroeg bij de gemeente voor uitbreiding van haar IBM 360/30 ten behoeve van haar uitdijende verbruiksadministratie was dat het moment, vooral in de ogen van de heer Brussaard, waarop de gemeente kon laten zien in hoeverre het ernst was met de, door velen geproclameerde, centrale plaats van het GRC in het Rotterdamse en in hoeverre daadwerkelijk, onder voorwaarden weliswaar, werk overgeheveld kon worden naar het Rekencentrum. Een ad hoc-beleid in deze zou de automatiseringsontwikkeling geen goed doen.
De vele, soms felle, discussies richtten zich vooral op de afwerende houding van het GEB, dat als argument aanvoerde van een niet te verplaatsen massaliteit van haar administratie als ook het benadrukken dat haar automatisering meer gold voor eigen behoefte dan dat zij in verband te brengen zou zijn met de gemeentelijke centrale sturing. Ook de verminderde effectiviteit bij uiteenrafeling van taken in de mutatieverwerking was eveneens een argument tegen verplaatsing.
Nu was de personele situatie dusdanig dat het GRC niet op korte termijn in staat zou zijn grote projecten van het GEB over te nemen, nog eens extra bemoeilijkt door het ontbreken van eenstemmigheid in programmatalen (GEB had veel assembler-toepassingen). Doch principieel werden wel criteria van het bestuur verwacht (met grote standvastigheid telkenmale verzocht door de heer Brussaard) om aan te geven waar grenzen voor een duidelijk centrale aanpak getrokken zou worden om te voorkomen dat al in een vroeg stadium de gemeentelijke automatisering zou gaan desintegreren. Hierop was gerede kans daar ook de Sociale Dienst op het punt stond van een IBM1401 naar een 360/20 over te gaan en daarvoor krediet aan te vragen. Ook de Sociale Dienst stond in het vizier van het Rekencentrum om de automatisering over te nemen, wat pas overigens in 1974 plaatsvond. In september 1968 besluit de raad het kredietaanvraag voor uitbreiding aan GEB goed te keuren met als compromis dat het GRC

 

GEB Rochussenstraat Rotterdam

 

een studie maakt van de wijze waarop binnen 5 jaar het Betalings- en Incassosysteem t.b.v. het GEB kon worden toegepast.Het GRC moest enigszins bakzeil halen door toch te grote verschillen van mening, gebrek aan samenwerking én de nog beperkte middelen van het GRC.
Een schrale troost was dat op basis van een advies uit maart 1969 op 28 november 1969 een raadsbesluit werd aangenomen waarin het GRC expliciet werd aangewezen als de centrale gemeentelijke instelling voor de ontwikkeling en uitvoering van geautomatiseerde informatieverwerking.

Maar de grote test om een nutsbedrijf in volle omvang te kunnen bedienen, was slechts zeer ten dele gelukt en kwam duidelijk te vroeg, met uitzondering van het jaren later geïmplementeerde personeelssysteem. Men werd zich hierna bewust dat volledige concentratie ( uitgangspunten uit de pre-GRC-jaren) allang geen haalbare kaart zou zijn temeer daar een enkeling al aanvoelde dat regionalisering van het werkterrein van het GEB haar automatisering nog verder weg uit de gemeente zou doen drijven.

terug

begin

verder

Home

 

Top