| De vruchtbare samenwerking met
GCEI, door de politiek zeer goed ontvangen, wordt in 1968 en 1969 voortgezet en de in
Rotterdam reeds gerealiseerde opzet voor het bevolkingssysteem wordt omarmd als basis voor
het systeem in Amsterdam. Eveneens kloppen enkele grote middelgrote gemeenten aan de deur
om te participeren in deze ontwikkeling. Dit zou later gaan leiden tot de oprichting van
een werkgroep voor een meer regionale samenwerking. |
Eind 1968 kreeg ook de landelijke
samenwerking een basis in de vorm van de oprichting
van de Stichting tot Ontwikkeling van de Automatisering bij de Gemeenten (de SOAG). Haar
eerste taak was onder andere een coördinatie tot stand te brengen van
automatiseringsprojecten en systemen bij gemeenten die niet over eigen centra beschikten.
Vanuit deze organisatie werd een plan opgesteld voor het doen implementeren van regionale
computercentra, w.o. die van Zuid West Nederland vooral voor het GRC van belang zou gaan
worden en waarbij in 1970 een gemeenschappelijke regeling voor de gemeenten opgesteld zou
gaan worden. |
| Met het noemen van het jaar 1970,
wellicht nog exacter 23 april 1969 bij de in gebruik name van het Siemens systeem, kunnen
we stellen dat de pioniersjaren van het GRC voorbij zijn. |
| Ondanks de nog steeds weinig
wervende kracht van het bestuur om meer kaarten te zetten op automatisering én de interne
gemeentelijke tegenkrachten heeft het GRC zijn kleine, doch niet meer te onderschatte,
plaats binnen de gemeente ingenomen en zou binnen 5 jaar tot een tak van dienst uitgroeien
en onder de vleugels van de secretarie én de wethouder van Economische Aangelegenheden
uitkruipen. |
| Met het, samen met het SOAG, in
februari 1970 gepresenteerde basisplan voor de gemeentelijke automatisering lag er een
blauwdruk, van waaruit de komende jaren geďntegreerde automatiseringsplannen vorm gegeven
konden worden waarbij Rotterdam zijn pioniersrol bleef vervolgen. |
| De potentie van het
Rekencentrum met zijn groeiende klantenkring, diversiteit aan projecten en een grote
verscheidenheid aan diensten kan niet duidelijker aangetoond worden dan met een
verdrievoudiging aan medewerkers (van 61 in 1969 naar ruim 180 einde 1975) en een
vervijfvoudiging aan omzet aan het einde van haar eerste decennium van haar bestaan. Ook
de interne organisatie met zijn diverse overlegstructuren binnen zowel de directie staf,
Machinale Uitvoering als Ontwerpafdeling is aan het begin van 1970 sterk aan het
uitkristalliseren.
Het culturele karakter van het Rekencentrum wordt zienderogen meer en meer omgevormd en
mede bepaald door een nieuwe instroom van medewerkers die in de 2de helft van
de 60-er jaren hun, veelal middelbare, opleidingen vervolmaakt hadden. Deze "kinderen
van ná de oorlog", te samen met de ervaren dertigers, veertigers en een enkele
vijftiger zouden van het Rekencentrum in de daarop volgende jaren het bedrijf maken waar
automatisering kon en mocht worden vorm gegeven vanaf innovatie tot en met directe
dienstverlening in alle maten en vormen. |
 Doch elders werd men zich eveneens bewust wat automatisering vermag.
In de raadsvergadering van 30 oktober 1969 vroeg een raadslid zich bij de
begrotingsbehandeling van de gemeente af :
"Wordt automatisering nu dan toch duurder en levert het helemaal geen besparingen
op?". "Ja en nee " is,
denk ik, het veelbetekenend antwoord. Toen en nu.
|