Home
De verdere uitbouw (1967)

Bewust werd men zich wel van de groeiende druk en de haast die men moest maken met klantenbinding om tegen een redelijk, met elkaar overeen te komen, kostenplaatje centraal computercapaciteit beschikbaar te stellen.

 

Als het jaar 1967 nog maar net is ingezet worden al intensief en nauwgezet afspraken vastgelegd voor de aanmaak van de verkiezingsoproepen welke onder de supervisie van het Gemeentelijk Rekencentrum worden uitgevoerd.
De kritische opdrachtgever, dienst Burgerzaken, volgt nauwkeurig, vanzelfsprekend ook om privacyredenen, de route van de vele ponskaartenbakken met de gegevens van de burgerlijke stand waaruit de stemgerechtigden worden geselecteerd. Binnen het IBM Servicebureau in Rotterdam werden deze werkzaamheden verricht en het is een van de voorbeelden van het groeiend aantal eenmalige opdrachten die het Rekencentrum in dat jaar zou gaan verwerken. Operationele slagvaardigheid en creatieve planning werden vereist om de verspreide capaciteit op de behoefte af te stemmen. Naast het voornoemde bureau werd ook gebruik gemaakt van de diensten van het Instituut voor Elektronische Administratie (met o.a. een IBM 360/40) aan de Diergaardesingel en het Gemeentelijk Energie Bedrijf.(met een IBM 360/30)

 

 

IBM 360

Het kon gebeuren dat deze wijze van werken, het pendelen tussen takken van dienst, servicebureaus en rekencentrum, niet altijd de tevredenheid van de klant weg kon dragen zoals wel bleek uit een wat felle reactie van het Gemeentelijk Woningbedrijf die meende geen vaste greep op de voortgang van huurbetalingen meer te hebben. Daarenboven verwachte het woningbedrijf ook een groei aan toepassingen wat aanleiding was om bij de leverancier Bull General Electric een offerte aan te vragen voor een eigen systeem, een zogeheten Gamma 55. Hoewel na een goed gesprek met het Rekencentrum, met enige steun en druk van de hoofdstuurgroep, GWR uiteindelijk van haar plannen afzag was dit wel eens te meer een illustratie dat de positie die het GRC in de gemeente innam nog altijd broos was en zij zich, hoewel bewust van haar dienstbaarheid aan de Rotterdamse takken van dienst, ook enigszins weerbaar moest opstellen wanneer zij geconfronteerd werd met soms onredelijke prijsvergelijkingen.
Bewust werd men zich wel van de groeiende druk en de haast die men moest maken met klantenbinding om tegen een redelijk, met elkaar overeen te komen, kostenplaatje centraal computercapaciteit beschikbaar te stellen.
Er was behoefte aan een duidelijk beleid en goede afspraken over de tarieven waarbij meer inzicht kon worden gegeven aan de opdrachtgever omtrent het voor te rekenen prijskaartje, dat veelal, voor het GRC, in het begin te laag uitviel.
Wel stond al vroeg een afspraak vast de ontwerpkosten van de ontwikkeling van geïntegreerde systemen uit de algemene dienst te betalen en de project- en productiekosten, verricht voor één specifieke opdrachtgever, gericht door te belasten.
De geïntegreerde toepassingen waren zeker in 1967 nog in een planning- en opstartfase.
Met name het personeelssysteem, waar al eerder enig optimisme moest worden getemperd werden organisatorische vertragingen ervaren bij de inrichting van het centraal personeelsbureau. Daarnaast ervoer men dat het systeem slechts geleidelijk en in onderdelen tot ontwikkeling te brengen zou zijn. Waarschijnlijk tegen beter weten in dacht men alle ambtenaren in 1968 over te zetten. De keuze voor een verbreding van het toepassingsysteem of verdieping door toevoeging van meer informatie maakte het traject nog logger.
Ook voor het bevolkingssysteem ging men voort met testen met de geconverteerde bestanden op magnetische banden waarbij men in het laatste kwartaal de 1-ste fase kon afsluiten. De bestanden werden in eerste instantie als input gebruikt voor eenmalige projecten bijvoorbeeld voor de uitnodigingen bij de opening van de Metro, jaarstatistieken en oproepen militaire dienst. De plannen waren nog optimistisch om in de loop van 1968 te starten met de tweede fase met gebruik van papierbandinvoer. Later zou de uitbouw plaatsvinden naar een integratie met volksgezondheid en onderwijs. Ook andere omliggende gemeenten als Spijkenisse, Schiedam en Delft hadden interesse getoond doch hiervoor was het nog veel te vroeg.

gebruik van papierbandinvoer.

Voor het derde belangrijke toepassingsysteem, het betaling- en incassosysteem, was men nog slechts in de fase van de organisatorische ophanging met een startende stuurgroep in begin 1968. Dit gold overigens eveneens voor de overige systemen als het bestuurssyteem, dat pas van de helling zou gaan als het personeels-, materiaal- en betaling- en incasso systeem gereed zou zijn. Optimistisch hierover was men al niet echt meer. Uit de eerder vermelde problemen met GWR was afgesproken dat deze tak van dienst als eerste klant zou fungeren voor het materiaalsysteem en aan een opzet voor een technisch/ wetenschappelijke stuur- of projectgroep werd nog nauwelijks gedacht.
terug

begin

verder

Home

 

Top