Home
Apparatuurkeuze en externe profilering (1967)

Toen de teerling was geworpen bleef uiteindelijk één partij solide én degelijk overeind: de Duitse leverancier Siemens.

 

De keuze en selectie van het centrale computersysteem kreeg in het eerste half jaar van 1967 meer en meer vorm. Het hoofd van het Rekencentrum gaf met groeiende zekerheid signalen af dat in begin 1969 het verstandig was om een eigen systeem te exploiteren op basis van de te bestede uren. Zoals eerder vermeld werd een tiental leveranciers benaderd een vragenlijst te beantwoorden waaruit een eerste selectie gemaakt zou kunnen worden.
In de eerste ronde viel reeds een drietal kanshebbers af (waaronder UNIVAC en NCR) door te late levering van de systemen en door onvoldoende informatie. In de tweede ronde werden de systemen daadwerkelijk aan de tand gevoeld en zwaarwegende, technische argumenten gehanteerd om tot een shortlist te komen. Redenen als incompabiliteit en ongunstig geheugengebruik van COBOL, geen compatibele tape’s, maakten onder andere Bull en Honeywell kansloos. De overgebleven partijen IBM, Siemens, Burroughs en C.D.C werden aan nog strengere en randvoorwaardelijke selectiecriteria onderworpen.

Toen de teerling was geworpen bleef uiteindelijk één partij solide én degelijk overeind.

Het was vooral een keuze van de goede gemiddelden van de Duitse leverancier Siemens, weliswaar door enkele punten voorbijgestreefd door Burroughs 3500 (lagere prijs, zeer goede COBOL-prestaties) en IBM/360/50 (zeer grote marktpartij) maar daar stond tegenover dat Burroughs op dat moment nog een te belegen hardware-partij was in Nederland om op terug te vallen. Voor IBM was het een bittere pil om te ervaren dat de keuzecommissie niet geïmponeerd was door de megalomane positie van de Amerikanen en dat de keuzeheren onontkoombaar en helder aantoonden dat prijs én prestatie van deze gigant onder de maat bleven.

 

de keuze voor Siemens

 

 

De randvoorwaarden bij de keuze voor Siemens waren gunstig; niet alleen een ruime toezegging van support en assistentie doch ook gelijktijdige opstellingen van het zelfde model bij de Nederlandse Spoorwegen, Fokker en eigen organisatie in Den Haag deed de keuze vergemakkelijken.

Op 30 november 1967 wordt dan ook door de gemeenteraad besloten tot de huur van een Siemens 4004/45 voor het niet geringe maandelijks bedrag van fl 62.500,00.

De configuratie (met een levertijd van maar liefst 16 maanden) bestond onder andere uit een kernengeheugen van 132000 tekens, 4 snelle en 2 langzame magnetische bandeenheden. Het systeem was verder uitgerust met een regeldrukker (1000 lines per minuut), een ponseenheid (100 characters per minuut), een papierbandlezer (400 tekens per seconde) en 2 verwisselbare schijvengeheugens met een capaciteit van 7,25 miljoen bytes.

Het was wat bitter voor het hoofd na dit energievretende project te moeten constateren dat binnen de gemeentelijke stuurgroep, waar maandelijks over de algemene automatisering werd gesproken, irritatie was ontstaan over de al te voortvarende en eigengereide aanpak van de heer Brussaard die de bestuurlijke impact van deze technische keuze wat onderschat had.

Het hoofd van het Rekencentrum bleef vinden dat aanschaffing van deze middelen binnen zijn competentie viel. Dat deze aanschaffing en keuze geen slechte is geweest is zonneklaar als men bedenkt dat Siemens als huisleverancier door levering van opeenvolgende schaalbare modellen voor bijna een kwart eeuw het apparatuurlandschap van het Gemeentelijk Rekencentrum bepaald heeft.

Klik! voor een grotere afbeelding

 

Externe samenwerking op landelijk niveau, zo vond men, was een noodzakelijkheid om vooral specialistische kennis omtrent geavanceerde apparatuur en complexe bestuurstoepassingen te delen. Men was overtuigd dat dit niet door te kleine schouders gedragen kon worden en voortrekkersrollen zouden in eerste instantie alleen door de grote gemeenten vervuld kunnen worden. Er werd dan ook contact gezocht met Amsterdam waar op gelijke leest als Rotterdam voorbereidingen werden getroffen tot stichting van een eigen rekencentrum, wat ook geschiedde op 10 november 1967 onder de naam Gemeentelijk Centrum voor Elektronische Informatieverwerking (GCEI). Het relaas van de heer Brussaard met zijn ervaringen tot dan toe ("een project- en geen organisatie gewijze aanpak’’) over de afgelopen 2 jaar werd goed ontvangen waarbij men snel op dezelfde frequentie zat wat praktische samenwerking betrof.

Amsterdam kon direct meeliften met het Rotterdamse opleidingsprogramma, wat leidde tot een gecombineerde inschrijving in 1968. Eveneens vond men elkaar in kosteloze uitwisseling van ontwikkelde deelsystemen, functiebeschrijvingen en het opstellen van een normalisatieboek. Daarnaast stelde men de ervaringen ter beschikking welke hadden geleid tot de keuze van een nieuw computersysteem en wilde men elkaar volgen in ieders beleid omtrent het gebruik van vertaalprogramma’s.

Men bleef in Rotterdam de blik vooruit richten en al overmoedig sprak men elkander toe het flitsend ingezette tempo niet af te stemmen op overige landelijke ontwikkelingen. Met enige trots warmde men zich aan het idee dat men een voorsprong had genomen en men was zichtbaar tevreden over de participatie in de diverse contactcommissies.

Maar dat nam allemaal niet weg dat de heer Brussaard terug in de werkelijkheid weer met zijn neus op ogenschijnlijk triviale zaken werd gedrukt als de te krappe behuizing aan de Wijnhaven, de aanschaf van een snij-, vouw - en frankeermachine, een eigen bedrijfsauto en natuurlijk de plaag van een te kleine formatie van 33 man, terwijl op 39 gerekend was aan het eind van het toch opmerkelijke jaar 1967.

terug

begin

verder

Home

 

Top