| Het moge duidelijk
zijn dat in dit eerste jaar voor al deze plannen slechts een fundament werd gelegd. De
heer Brussaard moet dan ook als hinderlijk de druk van buitenaf hebben ervaren om reeds
eerder een computersysteem aan te schaffen. Hij laat zich niet opjagen en blijft
consequent aan zijn eigen beleidsplan en tijdschema hechten. Hij benadrukte dat zonder
ontwerpcapaciteit en leemtes in zijn personeelsformatie maar vooral zonder een financieel
en technisch verantwoorde computerkeuze zijn gefaseerde opbouw gevaar zal lopen. Het ongeduld kwam vooral aan de oppervlakte toen de heer Brussaard
in een interview in een Rotterdamse krant zich liet ontvallen dat de start van
werkzaamheden op een groot computersysteem mogelijkerwijs pas in 1970 zou kunnen zijn. De
opmerking "Moeten we nu zo lang wachten tot alles gereed is ? ", bracht de heer
Brussaard niet uit evenwicht.
Midden 1967, zo verwachtte hij, zou op basis van
benchmarking een keuze van computermodel gemaakt kunnen worden. Uitnodigingen aan de
diverse hardware leveranciers werden in het late najaar van 1966 verstuurd.
Behalve dat er binnen economische normen het juiste moment moest worden bepaald, moest
er ook op technisch en programmatisch vlak nog richting gekozen en draagvlak gevonden
worden voor standaard programmeertalen als COBOL en FORTRAN op basis van de toen geldende
normen van controleer- en overdraagbaarheid.
Hoewel het Rekencentrum nog geen taakstellende begrotingen kon opstellen, wegens gebrek
aan allerhande meetgegevens, werd de begroting niettemin van fl 545.000 in 1966
opgetrokken naar fl. 1.235000 in 1967.
De kop was eraf, maar ook 1967 zou cruciale besluiten en ontwikkelingen te zien geven
in de verder opbouw van het Rekencentrum in haar eerste jaren.
|